Vervening

‘Wild, woest en ledig’

Met dit citaat uit het meest gelezen boek kan men het gebied waarin de Gronings-Drentse veenkoloniën liggen, in de 16e eeuw het best karakteriseren. Het was een weinig aantrekkelijke streek, bestaande uit moerassige, onherbergzame, voor de mens gevaarlijke (hoog)venen. Aan de randen stak hij turf om zo in zijn behoefte aan brandstof te voorzien.

Het duurde tot de gouden eeuw voordat men de handen ineensloeg en met de openlegging van het gebied begon. Een compagnie ‘van enige Vriezen ende Hollanders’ kocht in 1599 van de eigenerfden van Winschoten een stuk veen ten zuiden van deze plaats, tezamen uitmakende 101 lotten. De compagnie begon de benedenloop van het veenstroompje de Pekel A te verbreden en te verdiepen en het veen af te graven. Voor het eerst in de geschiedenis gebeurde de vervening in het centrale deel van het veengebied op grootschalige wijze. Op de ontgonnen gronden ontstond de eerste veenkolonie in het noordoosten van ons land: (Oude) Pekela.
Het ging de deelgenoten in de compagnie in de eerste plaats om turf. Deze waardevolle brandstof werd naar alle delen van de provincie, maar vooral naar de stad Groningen verkocht. Ook de steden van Holland en de grote Noordduitse kustplaatsen waren goede afnemers van het ‘bruine goud’. Turfschippers kochten in het veen een ‘schip met turf’ en deden het voor eigen risico in den vreemde van de hand. Uit alle delen van het land kwamen deze schippers met hun gezinnen, velen kozen in de veenkoloniën hun domicilie naast veenarbeiders, ambachtslieden en neringdoenden. Veel schippers gingen later hun bestaan zoeken in de vervening en de landbouw. Ook het omgekeerde kwam voor.

Een belangrijke, latere deelgenoot in de compagnie, Feicke Alles Clock, verkocht in 1635 zijn aandeel in de 101 lotten veen aan de stad Groningen. Ook de andere deelgenoten van de compagnie verkochten na verloop van tijd hun aandeel aan de Stad. Hoe de magistraten bij de Martinitoren er precies in slaagden hun nieuwe bezit te verwerven, is niet geheel duidelijk. Het is vooral de Veendammer schoolmeester Top geweest, die de stadsregenten een regelrechte koloniale uitbuitingpolitiek heeft verweten. Kuil wijt de gestadige verkoop van venen door Clock aan de Stad aan het niet nakomen van verplichtingen door de Winschoters aan de Stad tengevolge waarvan Clock in de problemen geraakte. Hoe het zij, toen Groningen het veen in bezit kreeg, verliep de vervening beter. Clock en de zijnen waren niet altijd regelmatig te werk gegaan. Bovendien waren de Stadse ‘ordonnantiën’ zegenrijk voor de ontwikkeling van de streek. De stad kocht de venen, groef het hoofdkanaal (het Pekelerdiep) dat ze onder eigen beheer hield en verhuurde de venen bij gedeelten voor de ontginning. Men ging daarbij zeer systematisch te werk, van beneden [Oude Pekela] naar boven [Nieuwe Pekela]. Omstreeks 1800 was een groot gedeelte van het tegenwoordige Nieuwe Pekela al ontgonnen. De overgebleven venen bevonden zich nog aan de zuidkant van het Pekelderdiep, vooral in het bovenste deel van deze gemeente. In 1915 was de vervening zo goed als afgelopen.


Eigen Gereedschappen