Sicco Tjaden

Sicco Tjaden (Westerlee, 12 december 1693 - Groningen, 28 maart 1726) was een Pekelder predikant.

Biografie

Tjaden was een zoon uit het huwelijk van de predikant aldaar, dominee Henricus Tjaden (23-10-1665 / 14-12-1699) en Anna Margaretha Tjassens (23-3-1663 / 9-4-1699), uit welk huwelijk zes kinderen werden geboren. Hij was de kleinzoon van Sicco Tjaden (1640-1728), rechtsgeleerde en rentmeester der geestelijke goederen van de stad Groningen en Anna Mees (1642-1666) en van Cornelius Tjassens (1628-1673) en Anna van Nijenborg (1627-1671). Tjaden was ongehuwd.

Tjaden was een voorman van de piëtisten en van 1720-1726 predikant in Nieuwe Pekela.

Sicco Tjaden heeft zijn ouders nauwelijks gekend. Toen hij amper 6 jaar oud was, werd hij al wees. De jonge Sicco werd toevertrouwd aan de zorg van zijn grootvader in Groningen, die ervoor zorgde dat hij al op 6-jarige leeftijd onderwijs kon gaan volgen aan de Latijnse school. Sicco maakte prima vorderingen zodat hij reeds in 1708, op 14-jarige leeftijd, tezamen met zijn tweelingbroer Cornelius, werd toegelaten als student aan de Groningse Hogeschool.
Al tijdens zijn jonge studiejaren bemerkte Sicco dat een theologiestudie voor hem de beste keuze was, een keuze waarmee hij in het voetspoor trad van zijn vader. Hij schepte toen al genoegen in het eenzaam wandelen, overdenken en bidden (op zijn wijze), in het bijzonder om de wonderen van Gods wijsheid in de schepselen te zien. Voor hem was toen reeds duidelijk dat het prediken geen sleur zou worden.
Ter voortzetting van zijn studie ging Sicco op 14 aug. 1711 naar de Hogeschool te Leiden, waar hij na 3 jaar studie, vol lof van zijn leermeesters, zijn getuigschrift ontving.
Hij meldde zich vervolgens aan bij de classis van Leiden en Neder-Rijnland en werd aldaar proponent op 5 nov. 1714.
Vervolgens keerde hij terug naar Groningen al had hij nog geen uitzicht op werk. Het jaar 1716 werd zijn wonderjaar, zoals hij het zelf noemde, vanwege 'de vermeerderinge van Geestlijk licht'.
Op 21 febr. 1716 predikte hij te Groningen voor het eerst in het openbaar. In 1717 woonde hij te Westerbroek. Herhaaldelijk werd hij in diverse plaatsen gevraagd om te komen prediken, met name in de provincie Drenthe waar hij de plaatsen Rolde, Beilen en Assen enkele malen bezocht. Tijdens zijn leven, waarin hij vaak werd overvallen door koortsaanvallen, deed hij herhaaldelijk aan zelfbeklag. Zo maakte hij zich zelf regelmatig uit voor sukkelaar en klaagde hij over zijn (vermeende) onbekwaamheid om te prediken. Hij voelde zich niet zeker en zocht steeds leiding van God.

Interessant is zijn reisbeschrijving naar Ophemert in Gelderland vanwaar hij een verzoek had ontvangen om te komen prediken. Op 17 juni 1718 vertrok hij, via Harlingen, naar Amsterdam om vervolgens met de nachtschuit de reis naar Utrecht te vervolgen. 'Hier zag ik onderweeg met verwondering in de Schuit veele staaltjes der ydelheit en bedrog onder het gewoel van die Amsterdamsche schare … maar ook zag ik onderweeg de preuve van stryd tusschen natuur en konst, in zo vele buitenplaatsen aan den oever der reviere weerzyts.'
Een maand later vond een ommekeer plaats in zijn denken en ging hij over tot het piëtisme, een levenswijze die zich kenmerkte door vrome wandel, inkeer en zondebesef, waarbij afkeer van de wereld niet vreemd was. Tjaden verhaalt: 'In Rotterdam, op den 17 Julius [1718] predikte ik in de Ooster-kerk niet zonder Gods ondersteuninge … De volgende Zondag wert ik verzogt te Middelharnas, 't is een zeer vermaart Dorp op 't Eiland Flakke, regt tegen over Helvoet, gelegen aan 't Noorderdiep. Hier was 's Heeren Hand wonderlyk. Zeeker Leeraar en die daar 't goede met Hem voorstonden, hadden met haast iemant tot my afgezonden en ze hadden 't zo heimlyk gedaan weegens de haters van het goede, dat de Bootschapper zelve zynen Bootschap niet wist. Ik, die op den Raad van vrome beloofde derwaarts te gaan, als ik in de Schuit trad vond ik daar den afgezand zelve, die my niet; gelyk ik mede Hem niet kende. Hier waaren andere Spions in de Schuit die my zogten te beweegen om te prediken tegen die, welke daar ter plaatse Fyne genoemd wierden. Ik antwoorde dat een vreemdeling eerst zaken van dien aart most onderzoeken, voor het overige hielt ik my stil, gelyk men my onderricht hadde. In zoete alleenspraken en midden onder alle die krygslisten, onder een stille kalmte en berusten in God, tradt ik te Middelharnas aan land, alwaar de Ouderlingen my een Predikbeurt niet alleen toestonden, maar ik behaagde Hun zo verre in de verkeeringe dat ze my eenparig zo zeer begeerden, als die, welke ik in de Predikatie, dien ik deede op den 24 Julius over Rom. 8:14 op een ander en aangenamer grond genoegen hadde gegeven. Ik had daar een zoet verblyf van twee dagen - daar waren vele en gevorderde Christenen - maar ik mog 'er niet mede spreken ofschoon ze my op straat aanspraken. Hoewel ik met eene uit Hun nog in 't verborgene sprak, ja met Do. N.N. die 'er maar een vierendeel uur daar van affstont, mog ik alzo min spreken. Ik verzocht de Ouderlingen van die plaats of ik mede ten avontmale mogt gaan, 't geen my wiert toegestaan. De vrugt welke ik daar by ontfing overtrof verre weg de voorbereidinge. Onder anderen wiert ik opgewekt en bemoedigt door de onderscheidene en verwisselende aanspraken van den Leeraar, tot de aanzittende Gasten … '

Na 12 weken afwezigheid keerde Tjaden terug in Groningen. De gebeurtenissen hadden op hem een grote invloed gehad. Zo groot zelfs, dat hij schreef: 'Ik heb gewonnen in 's Lichaams krachten en gezontheit op een ongelooflijke wijze.'

Na 4 jaar proponent te zijn geweest werd Tjaden op 29 nov. 1718 door de Groninger magistraat beroepen te Nieuwe Pekela, als opvolger van de een jaar daarvoor aan de tering overleden ds. Johannes Meurs. Aan deze benoeming was op 20 nov. een proefpredikatie voorafgegaan. Ook nu manifesteerden zich weer de onzekerheid en de vreugde. 'Wat wiltge met my doen, O groote Leidsman! Ik ben een wormken. … Dus wordt my na zo vele onzekere omswervingen een zekere standplaats gewezen en toevertrouwt!' Nadat Tjaden zijn benoeming had ontvangen, heeft hij getwijfeld of hij deze wel moest aannemen. Althans dat mag worden afgeleid uit een brief die hij op 27 dec. 1718 aan een van zijn vrienden schreef. Tjaden schrijft daarin: ' 't Is door menigerley onverwacht-overstelpende besigheden geweest, dat ik niet eerder (als nu door desen) U E. verwittigen kan, dat ik op den laastgeleden 29 Novemb. geroepen ben tot predikant in de Boven Pekel-A. Een plaats, gelegen op de grenzen dezer Provintie, daar de menschen (zo ergens) wel gedoopte Heydenen genaamd souden mogen worden, en in vele opsichten by gebrek van waarschuwing na 't verderf toe gaan, en daarom is het ook dat 'er werk voor my of liever voor de Groote Heere Jezus zal zijn, als het hem (gelijk ik hoop), believen zal my te bevestigen en my, my te verweerdigen om een Gesant van hem te zijn en in zijn Name, in zijn Bloed, de vrede an te bieden an doodweerdige; ik ben een arme en ellendige wurm, tot alles onbequaam … ' Dat Tjaden twijfels had aan de bevolking van Nieuwe Pekela blijkt ook uit de toelichting die hij bij de brief had gevoegd: 'P.S. Ik hadde desen al lang geschreven gehad, dog wierd wederom eenige tijd gehinderd in se over te kunnen zenden. Op den 29 November laastgeleden ben ik geroepen tot Predikant in de Nieuwe Pekel-A, een plaats gelegen op de grensen dezer Provintie, daar de menschen boven andere wild, woest en ongetemd zijn … ' Op 4 jan. 1719 predikte Tjaden opnieuw te Nieuwe Pekela. 'Hier reed ik met schaatzen na toe en zogt tusschen Wildervank en mijn dorp 's Heeren aangezigt en trat in de plaats onder menigvuldige Welkom en zegenwenschingen … ' Zelf uit Bonda, in Oost-Friesland, waren de mensen gekomen om hem te horen prediken. Toch bleef Tjaden twijfelen of hij de beroeping zou aannemen. Zo had hij voor zich zelf een overzicht gemaakt van wat hem in Nieuwe Pekela te wachten stond. 'De heerschende zonden aldaar zyn: dronkenschap, onwetenheit, sleurtrant, vooroordeel van vele omtrent myne strengheit enz. Het goede dat ik er bespeur is: liefde tot ontdekkinge, bestraffinge enz. en lust om met my te spreken, te vragen enz.' Toen hij op 5 april van dat jaar opnieuw aankwam in zijn toekomstige standplaats werd hij onmiddellijk geconfronteerd met de geruchten van diefstallen en 'huisbraken by nachte', zaken die hem erg aangrepen.
Toch koos Tjaden uiteindelijk voor Nieuwe Pekela. Nadat hij nog enige malen van uit zijn woonplaats Groningen, in zijn toekomstige gemeente had gepreekt, werd hij er op 7 jan. 1720 bevestigd.
De belangstelling in zijn preken was overweldigend, van alle kanten kwam men om hem te horen. Meermalen verschenen zelfs Rooms-Katholieken om naar hem te luisteren. Hij maakte met zijn denkbeelden vele vrienden, maar óók vijanden! Ongetwijfeld zou Nieuwe Pekela Tjaden op de duur niet hebben behouden, want reeds op 7 jan. 1725, exact vijf jaar nadat hij in zijn standplaats was bevestigd, werd hij op de nominatie geplaatst voor Groningen. Maar Tjaden had het in Nieuwe Pekela erg naar zijn zin en wilde graag blijven, al durfde hij zijn nominatie in Groningen niet af te schrijven. 'Maar' schrijft zijn vriend Joh. Hofstede enige tijd later, nadat Tjaden was overleden, 'de tijd leerde ook in het vervolg, dat deze affschrijvinge onnodig was. De Heere bestierde het anders. Had iets beters voor hem voorzien. Hij had Hem op de nominatie gestelt van het Hemelsch Jerusalem! Om daar vry van alle aanklevende swakheden een volmaakt Praedikant te worden.'
Op 14 mrt. 1726, op hetzelfde uur dat zijn zuster Anna Margareta te Groningen overleed, werd Tjaden getroffen door hevige koortsaanvallen. Toch belette hem dit niet naar Groningen te reizen om daar zijn zuster de laatste eer te bewijzen. Tijdens de reis had hij, volgens zijn zeggen, een voorgevoel zijn dorp en kudde nimmer terug te zien. Na een ziekbed van slechts enkele dagen overleed Tjaden, op 28 maart 1726, 's morgens om zes uur, in het huis van zijn grootvader te Groningen. Op 7 apr. 1726 sprak zijn oude vriend, ds. Joh. Hofstede, van Groningen, in de kerk van Nieuwe Pekela de lijkrede uit.

Zowel als mens als predikant stond Tjaden hoog in aanzien. Van zijn hand verscheen op de eerste torenklok van Nieuwe Pekela, in 1721, het volgende gedicht:

Myn tong is yzer, myn gehemelte metaal,
'k Denk zelf niet om de Doot en roep tog iedermaal,
Wanneer hier iemant sterft: ei, Leer O Pekel sterven!
'k Roep voor des Heren Dag: ei, Leer O Pekel derven
Al wat geen Jesus is, want mist gy hem als Herder,
Wat zyt gy meer als ick? Klank hebt gy en niet verder.

De gemeenteraad van Nieuwe Pekela heeft de herinnering aan Sicco Tjaden levendig gehouden door in deze plaats een straat naar hem te vernoemen.

Geraadpleegde literatuur:

  • Hofstede, J., 'Eenige aantekeningen en alleen-spraken, betreffende meest het verborgen leven voor den Heere, van den Eerwaarden, en Godzaligen Heere Sicco Tjaden, getrouw Leraar van Jesus Gemeente in de Nieuwe Pekel-A', uit de Latynsche Handschriften van den Overledenen by een verzamelt en vertaalt, Groningen, 1735 (2e druk).
  • Hofstede, J., ' Lyk-reede … ter Gelegentheit van het Overlyden van den Eerw. Welg. en Godzaligen Heer, de Heer Sicco Tjaden, Getrouw Herder van Jesus kudde in de Nieuwe Pelel-A: overleden den 28 Martii 1726 … ', Groningen, 1735 (3e druk).
  • Laan, K. ter, 'Groninger Encyclopedie', Groningen, 1954-1955.
  • Nederlandsche Leeuw, De, 'Maandblad van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde', 62e jrg., (1944), 29-34.
  • Zwiers, E., 'Waar 't veen eens groeide en de heide bloeide'. Een en ander over de geschiedenis der gemeente Nieuwe Pekela, Winschoten, z.j. [ca. 1950].

Eigen Gereedschappen