Religies in de Pekela's

In 1594 was de stad Groningen in handen van de Staten Generaal gekomen en volgens het Tractaat van Reductie zou in de Stad en dus later ook in de veenkoloniën ‘gheen ander Religie geëxerceert’ worden dan de gereformeerde. Met die gereformeerde religie werd de tegenwoordige Nederlands-hervormde kerk bedoeld. Deze gereformeerde kerk werd nu de bevoorrechte kerk en bleef dit tot 1795.

Zo’n kerk kreeg de kolonie Pekela al in 1639, zij het dat de gelovigen zich eerst moesten behelpen met een schuur, waarin dominee Wirichius Johannes voorging. In 1683 werd begonnen met de bouw van een echte kerk, die drie jaar later voltooid was en nadien nog vele malen werd verbouwd. Omdat de kerk aan het Benedeneinde van het tegenwoordige dorp Oude Pekela lag en de vervening tegen 1700 al heel ver naar het zuiden (boven) gevorderd was, vonden de mensen die in het nieuwste deel van de kolonie woonden, het kerkpad veel te lang. Daarom richtten zij meerdere verzoeken aan de Stadsregering om een eigen kerkgebouw te mogen bouwen met een pastorie en een school. Bij besluit van 9 april 1704 werd op de ‘remonstrance van de ingesetenen van de Pekel A boven het bovenste verlaat’ gunstig beschikt, waardoor kandidaat Ailcko Meinderts weldra met zijn zegenrijke werk als predikant kon beginnen.

In 1707 werden de beide kerkelijke gemeenten in Beneden en Boven Pekela van elkaar gescheiden, waardoor er twee kerspels ontstonden, Beneden of Oude Pekela en Boven of Nieuwe Pekela. De grens lag bij de toenmalige bovenste sluis in het Pekelder Diep, bij de Verlaatjeswijk, waar deze nu nog de beide Pekelder dorpen scheidt. Omdat de gereformeerde (na de Franse tijd: hervormde) kerk de bevoorrechte kerk was, kreeg deze de taken toegewezen, die later door het Bestuur zouden worden overgenomen. Omdat echter uit alle windstreken immigranten naar de veenkolonie kwamen, ontstond er een grote pluriformiteit op godsdienstig gebied. Daar de Stad de groei wilde bevorderen, was haar een zekere tolerantie tegenover andersdenkenden niet vreemd. Zo kregen de Luthersen reeds in 1753 toestemming een kerk in Pekela te bouwen. De Rooms-Katholieken mochten, na herhaalde verzoeken, in 1783 een kerkschuur bouwen aan wat later de Roomsewijk in Oude Pekela heette. In hetzelfde jaar kregen de gereformeerden (lees: hervormden) aldaar toestemming hun in 1683 gebouwde kerk te vergroten. De katholieken van Nieuwe Pekela kregen hun eigen kerk in de tweede helft van de 19e eeuw. Toen hen de gang naar de nabuurgemeente te ver werd, vroegen zij het kerkbestuur om een bij-kerk te bouwen in de buurt van de Doorsnee. Die kregen ze in 1867 om enkele jaren later als St. Bonifatiusparochie zelfstandig verder te gaan. De Israëlieten hadden in Oude Pekela reeds in 1791 een synagoge, terwijl de joodse begraafplaats aldaar van vóór 1700 dateert. In het laatste deel van de 18e eeuw was de immigratie van joden aanzienlijk. Vooral in Oude Pekela vestigden zich veel gezinnen, maar ook Nieuwe Pekela kende veel Israëlitische neringdoenden, waaronder talrijke slagers.

In de 19e eeuw nam, als gevolg van de afscheidingsbewegingen, het aantal kerken in beide Pekela’s toe. In 1843 werden de ‘Christelijk Afgescheidenen’ in Nieuwe Pekela vergunning verleend tot het oprichten van een kerk, in 1852 bouwden de Doopsgezinden van Oude en Nieuwe Pekela hun kerk in laatstgenoemde gemeente. De ‘Gemeente van gedoopte Christenen’ stichtte in 1881 in Nieuwe Pekela haar kerkgebouw, terwijl de Christelijk Gereformeerden er sinds 1910 over een eigen onderkomen beschikken. De tweede hervormde kerk in het bovenste deel van Nieuwe Pekela dateert van 1870.

In Oude Pekela bestond van 1906 tot 1990 een zelfstandige afdeling van het Leger des Heils


Eigen Gereedschappen