Mees Toxopeus

toxopeus.jpg Mees Toxopeus (Nieuwe Pekela, 22 oktober 1886 - Schiermonnikoog, 28 februari 1974) was een geboren Pekelder schipper en mensenredder.

Toxopeus was een zoon van de schipper Jannes Toxopeus en Everdina Kielema. Hij was gehuwd met met Frouwke Scheltens, dochter van de turfschipper, bode Jannes Scheltens en Sofie Louize Fritzemeijer uit Farmsum.

Toxopeus was schipper bij de Koninklijke Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij. Zijn naam kreeg reeds tijdens zijn leven een legendarische klank en werd synoniem met enkele heroïsche hoofdstukken uit de geschiedenis van de KNZHRM. Als schipper op de reddingboten C.A. den Tex (1917-1922), Hilda (1922-1926) en Insulinde (1927-1950) bracht hij 285 mensen in veiligheid. Toxopeus woonde zijn laatste levensjaren op Schiermonnikoog en overleed aldaar op 87-jarige leeftijd.

Mees Toxopeus werd, min of meer per toeval, in Nieuwe Pekela geboren. Het had even goed een van de andere veenkoloniën kunnen zijn. De vader van Mees voer in die tijd op de zeetjalk ‘De jonge Geertje’ en zwierf meestal rond op de eilanden voor de Duitse kust of in de Oostzee. Hij achtte het dan ook raadzamer zijn vrouw voor de bevalling achter te laten op de tjalk van haar ouders, die als turfschippers door het Groninger en Drentse veen voeren. Zij hadden nu eenmaal makkelijker hulp bij de hand dan hij, die meestal buitengaats zwierf.

De jonge Mees, die zowel van vaders- als moederszijde stamde uit een geslacht van schippers, werd reeds op 13-jarige leeftijd schippersmaatje op een beurtschip dat tussen Borkum en Emden voer. Een jaar later ging hij met zijn grootvader mee het veen in. Maar Mees voelde er niets voor om zijn leven als turfschipper te slijten of zelfs maar te beginnen. Hij keerde dan ook spoedig terug naar zijn ouders in Delfzijl en monsterde korte tijd later aan op de ‘Gratitude’, een zeetjalk die kustvaart bedreef in de Oostzee. In de daarop volgende jaren verwisselde hij nog enkele malen van schip om tenslotte, in 1917, amper 30 jaar oud, als jongste schipper in dienst te treden bij de Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij (NZHRM).

Na aanvankelijk drieënhalve maand werkzaam te zijn geweest op de werf te Alkmaar, waar hij aanwezig was bij het afbouwen van zijn toekomstige reddingboot, de ‘C.A. den Tex’, vertrok Mees op 21 juli 1917 naar Rottumeroog, zijn eerste standplaats.
Reeds op 8 januari 1918 verrichtte hij met de ‘C.A. den Tex’ op het Borkumerrif zijn eerste en tevens een van zijn zwaarste reddingen. Slechts één man kon worden gered van het Duitse patrouillevaartuig, de ‘Bürgemeister Pauli’, dat tezamen met twee andere Duitse schepen in nood verkeerde. Meer dan 40 personen vonden helaas de dood in de golven. Het Borkumerrif was Duits gebied en mocht, in verband met de oorlogstoestand, niet benaderd worden. Hadden de Duitsers de hulp van de ‘C.A. den Tex’ eerder ingeroepen, dan zou deze ramp niet zoveel slachtoffers hebben geëist. Eerst nadat Duitse reddingboten tevergeefs hadden getracht de gestrande patrouillevaartuigen te benaderen werd de hulp van Rottumeroog ingeroepen. Mees Toxopeus bracht de geredde bij de ingang van de Borkumerhaven veilig aan boord van een Duitse torpedojager. ‘s Avonds werden de schipper en bemanning van de reddingboot gehuldigd door de militaire commandant van Borkum.

Het gezin van Mees Toxopeus woonde rond 1920 in Usquert. Mees zelf was in de kost bij zijn oom Hendrik Toxopeus, die strandvoogd van Rottumeroog was. Op 9 oktober 1922 werd de ‘C.A. den Tex’ vervangen door de reddingboot ‘Hilda’, die in datzelfde jaar, onder het toeziend oog van Mees Toxopeus was gebouwd op de werf van de gebroeders Niestern in Delfzijl. Mees werd schipper op de ‘Hilda’ en bleef dit tot 12 juni 1926, op welke datum hij de ‘Hilda’ heeft overgedragen aan Jan Kuiper. Inmiddels had Mees zich een huis op Rottumeroog gebouwd, alwaar hij tot de overdracht van de ‘Hilda’ bleef wonen. Opnieuw vertrok hij naar Delfzijl, dit maal om aanwezig te zijn en aanwijzingen te geven bij de bouw van de ‘Insulinde’, een reddingboot, waaraan zijn naam onverbrekelijk verbonden zou worden.

De ‘Insulinde’ was de eerste zelfrichtende motorreddingboot van de NZHRM. Het idee ook motorreddingboten zelfrichtend te maken werd door Mees Toxopeus geopperd, nadat in 1921 het Nederlandse reddingswezen door twee zware rampen was getroffen. In februari 1926 werd op de werf van de fa. Gebroeders Niestern te Delfzijl met de bouw van de ‘Insulinde’ begonnen. Mees Toxopeus, bestemd om schipper te worden van deze boot, waarnaar hij zo vurig had verlangd, was van de aanvang af bij de bouw aanwezig en gaf herhaaldelijk waardevolle praktische wenken. Op 21 december 1926 werd de ‘Insulinde’ te water gelaten, op 17 juni 1927 volgde de officiële proefvaart en op 18 juni werd de ‘Insulinde’ in Oostmahorn in dienst gesteld, van waaruit zij in het vervolg zou opereren.

De grootste onderscheiding die een bemanning van de ‘Insulinde’ ooit ten deel viel, volgde op de redding van 12 opvarenden van het Duitse stoomschip ‘Bramow’ op 18 september 1935 tijdens een zware storm. Voor deze daad ontving Mees Toxopeus de 'Grote Gouden medaille’ van de NZHRM, een onderscheiding die slechts in uitzonderlijke gevallen werd verstrekt. Maar het was niet alleen deze redding die Mees Toxopeus op zijn naam schreef.
Vermeldenswaardig zijn ook de reddingen van de ‘Nooit Volmaakt’ uit Zoutkamp (1928, 2 geredden), de ‘Malmö’ uit Zweden (1928, 6 geredden), de ‘Hagfors’, eveneens uit Zweden (1928, 5 geredden), de ‘Nobis’ uit Duitsland (1932, 14 geredden), de ‘Alexa’ uit Finland (1933, 15 geredden), de ‘Kai’ uit Denemarken (1941, 18 geredden) en de ‘Satakunta’ uit Finland (1949, 10 geredden).

Een langdurige tocht tijdens zwaar stormweer aan boord van een hevig slingerende en stampende motorreddingboot is op den duur voor de bemanning uiterst vermoeiend. Het is te begrijpen dat na vele uren hun psychisch weerstandsvermogen verzwakt. Alleen zeer sterke figuren met groot verantwoordelijkheidsgevoel zullen een hopeloos lijkende poging om een in nood verkerend schip, waarvan de juiste positie onbekend is, op te sporen, eerst opgeven als de kans op succes met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is verkeken. Tot deze categorie hoorde Mees Toxopeus. Hij zette door, ook al raakte de bemanning oververmoeid. Op een van deze lange, vergeefse en dus voor de redders ontmoedigende tochten waagde zijn stuurman, die al tien uur naast hem achter de stuurkap stond, de opmerking te maken: „Ik denk dat we wel terug kunnen varen, dit schip zullen wij toch niet kunnen vinden.” Toxopeus beet zijn tanden op elkaar en zei afgebeten: „Denken kunnen wij allemaal, maar ik moet het weten.” Bij nacht en ontij trok hij er op uit om angstige, verkleumde mensen van boord te halen van schepen die in nood zaten. Alle rassen- of nationaliteitsvooroordelen zijn hem, als het om de redding van een mens in nood ging, altijd vreemd geweest. Hij heeft nooit gevraagd wie er in nood zat; hij heeft alleen maar gevraagd òf ze in nood zaten en waar dat dan was. En dan ging hij. In ontelbare tochten, dwars door het woedend geweld van wind en golven heen, heeft hij 285 mensen veilig en behouden weer aan wal gebracht.

Voor zijn moedig gedrag ontving Mees Toxopeus tal van onderscheidingen en dankbetuigingen uit alle oorden van de wereld. Zo werd hij door Hare Majesteit benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau en ontving hij de aan deze Orde verbonden eremedaille in zilver, de gouden medaille van de Zweedse regering voor de redding van de bemanning van de ‘Malmö’, het erekruis van de Orde van de Finse Roos voor de ‘Satakunta’, de reddingsmedaille van de Duitse keizer, de Grote Gouden medaille van de NZHRM, de gouden medaille van de EHBO, een gouden horloge met inscriptie van de Duitse regering voor de redding van de bemanning van de ‘Hagfors’, het erekruis van het Duitse Rode Kruis, een gouden medaille van de Duitse reddingmaatschappij enz. enz.

Als erkenning voor de vele malen op onverschrokken wijze betoonde moed en de hulp aan de in nood verkerende medemens bewezen, werd Mees Toxopeus op 21 okt. 1950 door de gemeenteraad van Nieuwe Pekela benoemd als ereburger van deze gemeente.

Op 31 oktober 1950, een jaar voor zijn pensioengerechtigde leeftijd en na 34 jaar trouwe dienst, droeg Mees 'zijn' ‘Insulinde’ over aan zijn jongere broer Klaas, die al vanaf 1930 als stuurman bij hem had gevaren.
Mees Toxopeus trad een jaar eerder uit actieve dienst dan strikt genomen, met het oog op zijn leeftijd, nodig was. Dat kwam niet omdat hij niet meer wilde, maar omdat de reddingsmaatschappij, die zijn ervaring erg hoog inschatte, hem in oktober 1950 overplaatste naar Muiden om daar aanwezig te zijn bij de bouw van de nieuwe reddingboot van de Maatschappij, de ‘Prins Hendrik’.
Nog één jaar bleef hij in dienst van zijn Maatschappij, om vervolgens te gaan rentenieren op Schiermonnikoog, dicht bij de zee, die hij zo vaak had getrotseerd.
Een moedig gedragen lijden maakte op 28 februari 1974 een einde aan zijn leven.
Op 4 maart 1974 kwam de legendarische mensenredder voor de laatste maal en voor zijn laatste reis aan boord van een reddingboot. De te Lauwersoog gestationeerde ‘Gebroeders Luden’ bracht zijn stoffelijk overschot, in de met de oranje-blauwe vlag van de KNZHRM gedekte kist, van Schiermonnikoog naar de vaste wal.

Mees Toxopeus is begraven op de algemene begraafplaats in Delfzijl.


Eigen Gereedschappen