Landbouw

Al is de stad Groningen wellicht weinig elegant geweest bij het verkrijgen van de venen, haar aandeel in de ontginning is zegenrijk geweest voor de groei en bloei van de streekdorpen. ‘Borgemeesteren ende Raedt’ van de Stad zagen heel goed in dat de bodem, als de turf was afgegraven, door doelmatige bewerking en bemesting uitstekende bouwgrond op kon leveren. Zeer duidelijk is artikel XIII van de ‘Conditiën van de verhuijringhe der veenen in de Pekel’ van het jaar 1651, waarin als voorwaarde werd gesteld dat de huurder ‘sal het vergraven Veen ende andere dallen slichten, ende met straetendreck ofte mis soo veele immer doenlick is, te lande maeken, om tot Saeijlandt, Weijdelandt of te Plantinge …. gebruijckt te worden’. De huurder mocht het ontturfde land dus niet braak laten liggen, maar moest het door stadsvuil en mest vruchtbaar maken. De blootkomende zandgrond werd vermengd met bonk, die niet geschikt was voor de turfwinning.

In de loop van de 18e eeuw werd de veenkolonie Pekela langzamerhand een landbouwkolonie. De boeren, landbouwers genoemd als ze alleen ontgonnen grond bewerkten, landgebruikers als bij hen de combinatie veenboer en landbouwer voorkwam, verbouwden op de dallen boekweit in de vorm van een soort brandcultuur. Ze leverde een behoorlijke oogst op en was bovendien een bondgenoot van de boer in het bestrijden van onkruid. De laatste boekweit is in Nieuwe Pekela verbouwd in 1884.

Ook de aardappel kwam al gauw in het bouwplan voor, eerst als veevoer, maar na 1770 steeds meer als gewaardeerd volksvoedsel. Zij werd de kurk waarop de veenkolonie dreef en bepaalde sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw vooral het beeld van de akkerbouw. De fabrieksaardappel bleek uitstekend op de dalgrond te gedijen. Het veenkoloniale bedrijfstype met daarin een prominente positie van de fabrieksaardappel beperkt zich echter lang niet meer tot de Veenkoloniën en inmiddels zijn al veel boeren elders uit het land in dit gebied neergestreken met andere bedrijfstypen en andere bedrijfsculturen. Van de granen teelde men aanvankelijk alleen rogge en haver. Maar de boer had ook zijn weiland voor het vee. Zeker in de 18e en in het begin van de 19e eeuw had de landbouw een gemengd karakter. Al kon de landgebruiker de op zichzelf niet zo vruchtbare grond bemesten met de door ‘strontschippers’ aangevoerde stratendrek (compost) uit de steden, een hoeveelheid dierlijk mest was hem zeker welkom. Zijn koeien en varkens leverden die naast de melk, boter en het vlees. Bovendien was een deel van de boerenplaats, in het vroegere stroomdal van de Pekel A bij de gebrekkige waterbeheersing van vroeger, minder geschikt voor akkerbouw, maar des te meer voor een sappige weide. De betere waterbeheersing en de stijgende graanprijzen in de jaren na 1830 maakte dat de veenkoloniale boer steeds meer bouwboer werd. Dit aspect werd nog eens versterkt toen in de tweede helft van de vorige eeuw de kunstmest zijn intrede deed. De veestapel was aan de bescheiden kant.

De komst van de kunstmest heeft het einde van het gemengde bedrijf in de veenkoloniën versneld. De boer werd een echte akkerbouwer. Hoewel de aardappel zijn hoofdproduct was, zaaide hij ook een deel van zijn akkers in met graan. Vooral haver en rogge waren bij hem favoriet. Als ‘bijproduct’ leverde de graanbouw stro. Een middel van bestaan zat daar echter niet in. De waarde van stro steeg toen de eerste strokartonfabrieken werden gebouwd. Met het Oldambt als graanschuur, de turf als brandstof en de vele diepen en wijken als waterleverancier werden de veenkoloniën, en dan met name Oude Pekela, het centrum van de strokartonindustrie.

Tot 1930 vormde de landbouw in Nieuwe Pekela de belangrijkste bron van inkomen. Door de mechanisatie en rationalisatie in de landbouw ging het aantal landbouwbedrijven sterk achteruit. Een wijziging in de agrarische bedrijfsvoering kon dan ook niet uitblijven. Van de verbouw van traditionele gewassen is men overgestapt op andere gewassen. Daarnaast heeft een aantal boeren zich toegelegd op de veehouderij.


Eigen Gereedschappen