Handel, ambacht en industrie

Handel en nijverheid

In Pekela werd het benedenste verlaat - bij de tegenwoordige hervormde kerk in Oude Pekela -al in de 17e eeuw een belangrijke overslagplaats voor turf. Met bokken, tassen en pramen werd daar het bruine goud uit het veen aangevoerd om ‘beneden’ de sluis in grote tjalken te worden overgeladen. Deze voeren dan naar het noorden en bereikten via Statenzijl de Dollard om dan de Noordduitse steden te bereiken. De ‘praamschippers’ vervoerden behalve turf ook de producten van het boerenland en compost en gaf hen handen vol werk. Tot na de Tweede Wereldoorlog vond het vervoer van aardappelen per schip plaats.

Naast de scheepvaart ontstond er in de Pekela’s een levendige nijverheid van scheepswerven, mastmakerijen, zeil- en blokmakerijen, smederijen en touwslagerijen. Ook een groot aantal victualiënwinkels dankte zijn bestaan aan de zee- en binnenvaart. In 1851 had Oude Pekela tien scheepshellingen.

Door de langgerektheid van beide dorpen zijn er altijd veel winkeltjes geweest. Vaak ook vormden de inkomsten uit de winkel een aanvulling op het levensonderhoud. Van oudsher waren veel winkels gegroepeerd rondom de sluizen, waar het altijd een drukte van belang was.

Oude Pekela beschikte sinds 1833 over een markt. 20 jaar later, in 1853, volgde een veemarkt. Sinds 1958 wordt er een wekelijkse warenmarkt gehouden. Na lang aandringen wordt in 1854 te Nieuwe Pekela een veemarkt opgericht. Aangezien er vele jaarmarkten in de omgeving waren, werd deze markt, ondanks een ingevoerd premiestelsel, in 1882 weer afgeschaft. In 1903 werd opnieuw een poging gedaan. Bij de drukke en belangrijke ontsluitingsweg naar Onstwedde en het achterliggende Westerwolde, werd opnieuw een veemarkt ingesteld. Ook deze veemarkt heeft maar kort bestaan.In 1912 werd deze weer afgeschaft. Vanaf 1982 bestaat er ook in Nieuwe Pekela weer een wekelijkse warenmarkt.

Industrie

De oorsprong van de aardappelmeelindustrie lag in toenemende behoefte aan aardappelmeel en sago. De provincie Groningen was hét productiegebied van de grondstoffen. Verder lag een fabriek in de provincie Groningen dicht bij het productiegebied van de toen nog gebezigde brandstof, nl. de turf. De teelt leidde in en om Pekela’s tot de oprichting van aardappelmeelfabrieken: ‘Noordstar’ (1892), ‘Orania’ (1895), ‘Pekela en Omstreken’ (1900) en ‘Alteveer’ (1909). De beide eerstgenoemde hebben slechts korte tijd bestaan terwijl de laatstgenoemde na de Tweede Wereldoorlog opgingen in het concern Avebe te Veendam.

De (stro)kartonindustrie is in veel mindere mate dan de aardappelmeelindustrie een typisch veenkoloniaal bedrijf. In 1875 verrees de eerste van de strokartonfabrieken in het uiterste noorden van Oude Pekela, nl. De Aastroom, welke aanvankelijk met succes werkte en tot 1917 in bedrijf bleef. Onder de oprichters was een aantal bekwame Oostfriese papiermakers. Bekend is ook de familie Free, die lange tijd in Oude Pekela heeft gewoond en in de oprichting van verschillende, latere strokartonfabrieken een werkzaam aandeel heeft gehad. In de volgende jaren werden in Oude Pekela meerdere strokartonfabrieken opgericht. De eerste van de serie was de Union (1883). Kapitaal voor de oprichting was aanwezig, omdat reders, kapiteins en scheepsbouwers, bij de achteruitgang van de zeevaart en scheepsbouw, een ander een emplooi moesten zoeken. Zo verrees in Oude Pekela in korte tijd een aantal fabrieken: Albion (1888), Erica (1889), Wilhelmina (1896), Ceres (1898), De Kroon (1901), Free en Co (1903) en Britannia (1913).

Na de Tweede Wereldoorlog zien we een verschuiving van de traditionele landbouwer naar landbouwmanagement. Gevolg daarvan was o.a. de sanering van kleine bedrijven. Wilde men overleven dan moest men investeren. De landbouwer van vroeger werd steeds minder herkenbaar. Mede onder invloed van milieumaatregelen begon de strokartonindustrie steeds meer terrein te verliezen. Een stakingsgolf in de eind jaren zestig, vaak onder aanvoering van de oud-Pekelder Fré Meis, bracht Oude Pekela regelmatig in het nieuws. In 1967 volgde de sluiting van de Albion in Oude Pekela. In de jaren daaropvolgend zouden nog meer fabrieken volgen. Op de strokartonfabriek Free en Co in Oude Pekela werd in 1979 de laatste strobaan voorgoed stop gezet. De teloorgang van de strokartonindustrie was duidelijk in gang gezet. Een herstructurering bleek een logisch gevolg wilde men overleven. De fabrieken die waren overgebleven gingen over op de productie van grijskarton met lompen en oud papier als grondstof. De meesten traden toe tot concerns als KNP-Kappa en Bührmann-Tetterode. De herstructurering had inmiddels aan een derde van alle werknemers hun baan gekost.

Behalve de reeds genoemde industrieën telden de Pekela’s nog een groot aantal andere bedrijven. In Oude Pekela bestond een grote touwslagerij die aanvankelijk op de scheepsbouw was georiënteerd. Het bedrijf bestond nog in 1929 en was inmiddels uitgegroeid tot een onderneming met 50 man personeel.

De steen- en pannenbakkerijen waren in de tijd van vestiging sterk op de vindplaats van de brandstoffen georiënteerd. In deze bedrijven was de brandstof een buitengewoon belangrijke hulpstof, die in zeer grote hoeveelheden werd gebruikt. Als brandstof werd vroeger uitsluitend turf gebruikt.

De houthandel en de houtbewerkings-industrieën van de veenkoloniën zijn een erfenis uit de tijd van de scheepsbouw. Noors hout was al vroeg de retourvracht voor de schepen die op Hamburg voeren; later, bij de uitbreiding van de vaart op de Oostzee, werd deze houthandel nog omvangrijker. Oude Pekela bezat in 1866 tweehoutzaagmolens.

Het transport van aardappelen en stro naar de fabrieken gebeurde tot na de Tweede Wereldoorlog in hoofdzaak per schip. Was de afstand boerderij-fabriek erg kort, dan was de stromenner de vervoerder in plaats van de stroschipper. Vond het vervoer eerst met paard en wagen plaats, omstreeks het midden van de 20ste eeuw geschiedde dit met vrachtauto’s.


Eigen Gereedschappen